Scholen voelen de dringende behoefte zich te onderscheiden van de rest. Waarom lijken ze dan toch zoveel op elkaar?
Anders=beter?
Bekijk eens wat websites van enkele HO-instellingen en universiteiten. Deze lijken niet alleen qua lay-out en kleur op elkaar, maar ze hebben zelfs gemeen dat er allemaal lachende jongeren (voornamelijk vrouwen) op de foto’s staan. Wanneer je de scholen hiermee confronteert, overladen ze je met vragen. “Moeten we het dan anders doen?” is het meest gehoord. Dat moet inderdaad anders. Scholen moeten zich meer richten op hun individuele kracht en moeten meer naar binnen kijken. Die boodschap komt veelal niet direct aan bij schoolleiders. “Is anders dan per definitie beter?” is veelal de vervolgvraag. Dat is juist niet het geval. Ik zal dat in dit betoog verduidelijken.
Identiteitscrisis
In het verloop van de discussie met schoolleiders over de uitstraling van hun school, kristalliseert zich een duidelijke conclusie uit: scholen worstelen met de eigen identiteit. Zo stellen ze zichzelf vragen als: “hoe kunnen we anders zijn, zonder naast het net te vissen?” “Wat willen we eigenlijk uitstralen?” “Wat kunnen we doen om onszelf te onderscheiden?” Ik zie een grote gelijkenis in de oorzaak van ze problemen. Missies zijn vaak zo veelzijdig en complex gedefinieerd, dat alle afgeleiden van deze missie (visie, strategie etc.) onder druk komen te staan. De oorzaak van eigenlijk al deze vragen ligt in het ontbreken van een goed zelfbeeld.
Inzicht
Naast een vertroebeld of zelfs ontbrekend beeld van de eigen identiteit, hebben scholen vaak weinig tot geen inzicht in datgene wat er leeft onder jongeren in en om de school. Zo meten scholen en schoolleiders veelal het imago van de school aan de kritieken van collega’s of ouders in de omgeving. Maar hoe de jongeren aankijken tegen het imago van de school, is ze grotendeels onbekend. Dit geldt zelfs voor de meningen van jongeren in de eigen school. Dat is jammer, want juist deze leerlingen vormen het grootste deel van de identiteit, het imago, van de school. Een instrument voor scholen om dit inzicht te verkrijgen, is bijvoorbeeld het organiseren van imagobijeenkomsten. Laat de scholieren en studenten vertellen wat zij van de school vinden, wat ze goed vinden en wat ze zouden willen veranderen. De belangrijkste bron van informatie is zo dichtbij, dat deze vaak over het hoofd wordt gezien.
Online communities
Om jongeren in de omgeving te bereiken, is het belangrijk om te begrijpen hoe de jeugd met elkaar communiceert. Jongeren zijn nu eenmaal geen volwassenen. En hoe goed je het je ook nog kunt herinneren, je kunt nu niet meer begrijpen hoe een puber denkt en voelt. Daarbij verschilt de nieuwe generatie in alles. En deze verandering is continue. Ook worden de contrasten tussen de generaties steeds extremer, door snellere ontwikkeling van de omgeving. Het is daarom van groot belang dat een school zich richt op de juiste communicatiekanalen en -middelen. Jongeren besteden gemiddeld 19 uur per week aan het gebruik van internet. Naast een bron van informatie is het internet voor hen een bron van sociaal contact. Denk eens aan on-line communities zoals Hyves. Bijna iedere school is hier al op te vinden, ook zonder dat men zich hier bewust van is. Hier worden meningen geventileerd en gedachten uitgewisseld over de school en de mensen zelf. Het is belangrijk om te weten waar de jeugd zich bevindt, om hen te kunnen bereiken. Het internet is geen bedreiging, maar juist een kans voor scholen; het centrum van het sociaal leven van jongeren wordt nog altijd gevormd door de school zelf.
Valkuilen
Onderwijsinstellingen moeten oppassen voor een aantal valkuilen in hun communicatie. Zo ontstaat er in de communicatie nogal eens eenrichtingsverkeer. Jongeren haken vaak af omdat ze niet gehoord worden, maar alleen maar moeten luisteren. Daarnaast dienen scholen communicatie niet te gebruiken als lapmiddel. Vaak hebben scholen de neiging om de communicatie aan te willen scherpen, terwijl er dieper liggende problemen zijn, zoals het ontbreken van een heldere missie. Zorg ervoor dat alle randvoorwaarden gunstig zijn en stem hier de communicatie op af. Scholen dienen ook te waken voor arrogantie. Zo wordt er vaak gepronkt met aantallen afgestudeerden en andere statistieken. Dat zijn inderdaad zaken die ouders graag horen, maar je kunt je afvragen in hoeverre jongeren (zeker onder de lagere opleidingsniveaus) hier grote waarde aan hechten.
Beter begint bij jezelf
Scholen hebben de behoefte zich te differentiëren, maar toch doen ze vaak nagenoeg dezelfde dingen. In de drang naar differentiatie en de grote communicatieprojecten die hiervoor opgezet worden, ontbreekt het hen vaak aan een heldere en eenvoudige missie, aan inzicht in het eigen imago, aan inzicht in de doelgroep en aan inzicht in de valkuilen die ze tegenkomen. De essentie is om als school je eigen identiteit te leren kennen, en dicht bij jezelf te blijven. Leer eerst de school goed kennen, voordat je anderen kennis laat maken met de school.
dinsdag 6 november 2007
Miscommunicatie in het onderwijs
dinsdag 16 oktober 2007
Het nieuwe leren - over hoe de overheid de essentie mist
In april 2007 is de parlementaire onderzoekscommissie onderwijsvernieuwing in het leven geroepen. Tot centrale taak is gesteld om een oordeel te vellen over de onderwijsvernieuwingen van de afgelopen 15 jaar. Deze commissie richt zich in haar onderzoek op vier deelgebieden: de basisvorming, de tweede fase, het VMBO en ‘het nieuwe leren’. Daarnaast zijn vier deelstudies gestart door het SCP, de Erasmus Universiteit Rotterdam, de Algemene Rekenkamer en het ROA[1].
In hoeverre richt deze onderzoekscommissie zich op verbetering in de (nabije) toekomst? In de vele beleidsanalyses binnen dit onderzoek wordt geen rekening gehouden met het acute karakter van de gewenste en benodigde verandering. De student heeft niets aan de analyses met betrekking tot parlementaire achtergronden en relatiestudies tussen onderwijsvernieuwingen. De studenten beseffen als beste dat vernieuwing noodzakelijk is, maar zien en ondervinden dat leraren en schoolbestuur geen concreet en eenduidig beeld hebben van wat deze vernieuwing precies inhoudt; dit besef vormde ook de aanleiding voor deze studenten en scholieren om de noodklok te luiden bij het kabinet.
Moet de stap naar ‘het nieuwe leren’ worden doorgezet? Ja. De informatisering, automatisering en individualisering van de maatschappij is de dagelijkse realiteit voor jeugd. Dit beïnvloedt zonder meer de wijze waarop en de snelheid waarmee zij informatie tot zich nemen, en dus de manier waarop zij leren. Om de jeugd in onze samenleving te blijven ontwikkelen is het daarom noodzakelijk dat scholen op zoek gaan naar werkwijzen en hulpmiddelen die aansluiten bij deze veranderende manier van informatieverwerking.
Kan deze stap naar ‘het nieuwe leren’ worden gezet? Blijkbaar nog niet zonder verfijning van de definitie van het begrip. Dit betekent terug naar de fase van beeldvorming. Zo blijft de vraag welke aspecten hier deel uitmaken van het nieuwe leren, wat op zijn beurt weer vele vragen oproept. Wat zijn de maatschappelijke parameters, variabelen, trends en ontwikkelingen om rekening mee te houden? Op welke punten dienen bestaande onderwijsmethoden te worden aangepast om beter te passen bij de moderne informatiemaatschappij? Veel vragen met een hoge mate van complexiteit, die toch allemaal een antwoord verdienen. Want alleen door inhoud te geven aan ‘het nieuwe leren’ kan vooruitgang in het onderwijs worden gerealiseerd.
Met die insteek prikkelde Kamerlid Dibi (GroenLinks) naar mijn inzicht het parlement om te komen tot een gedegen onderzoek naar de gevolgen van het nieuwe leren. Het is alleen jammer dat deze commissie zich niet richt op inhoud en richting voor de toekomst, maar op wat er mis ging in de afgelopen 15 jaar. Is die informatie dan aan de rijksoverheid voorbij gesneld? Dames en heren parlementariërs, let toch op, dat is toch niet van deze tijd?!
[1] Zie http://www.tweedekamer.nl/kamerleden/commissies/CTCO/sub/index.jsp#TitleLink1 voor een nadere toelichting van de deelonderzoeken.
In hoeverre richt deze onderzoekscommissie zich op verbetering in de (nabije) toekomst? In de vele beleidsanalyses binnen dit onderzoek wordt geen rekening gehouden met het acute karakter van de gewenste en benodigde verandering. De student heeft niets aan de analyses met betrekking tot parlementaire achtergronden en relatiestudies tussen onderwijsvernieuwingen. De studenten beseffen als beste dat vernieuwing noodzakelijk is, maar zien en ondervinden dat leraren en schoolbestuur geen concreet en eenduidig beeld hebben van wat deze vernieuwing precies inhoudt; dit besef vormde ook de aanleiding voor deze studenten en scholieren om de noodklok te luiden bij het kabinet.
Moet de stap naar ‘het nieuwe leren’ worden doorgezet? Ja. De informatisering, automatisering en individualisering van de maatschappij is de dagelijkse realiteit voor jeugd. Dit beïnvloedt zonder meer de wijze waarop en de snelheid waarmee zij informatie tot zich nemen, en dus de manier waarop zij leren. Om de jeugd in onze samenleving te blijven ontwikkelen is het daarom noodzakelijk dat scholen op zoek gaan naar werkwijzen en hulpmiddelen die aansluiten bij deze veranderende manier van informatieverwerking.
Kan deze stap naar ‘het nieuwe leren’ worden gezet? Blijkbaar nog niet zonder verfijning van de definitie van het begrip. Dit betekent terug naar de fase van beeldvorming. Zo blijft de vraag welke aspecten hier deel uitmaken van het nieuwe leren, wat op zijn beurt weer vele vragen oproept. Wat zijn de maatschappelijke parameters, variabelen, trends en ontwikkelingen om rekening mee te houden? Op welke punten dienen bestaande onderwijsmethoden te worden aangepast om beter te passen bij de moderne informatiemaatschappij? Veel vragen met een hoge mate van complexiteit, die toch allemaal een antwoord verdienen. Want alleen door inhoud te geven aan ‘het nieuwe leren’ kan vooruitgang in het onderwijs worden gerealiseerd.
Met die insteek prikkelde Kamerlid Dibi (GroenLinks) naar mijn inzicht het parlement om te komen tot een gedegen onderzoek naar de gevolgen van het nieuwe leren. Het is alleen jammer dat deze commissie zich niet richt op inhoud en richting voor de toekomst, maar op wat er mis ging in de afgelopen 15 jaar. Is die informatie dan aan de rijksoverheid voorbij gesneld? Dames en heren parlementariërs, let toch op, dat is toch niet van deze tijd?!
[1] Zie http://www.tweedekamer.nl/kamerleden/commissies/CTCO/sub/index.jsp#TitleLink1 voor een nadere toelichting van de deelonderzoeken.
vrijdag 12 oktober 2007
Risico's van de event-driven architectuur (EDA) in het publieke domein
Iemand maakt per ongeluk een ‘foutje’ bij de belastingdienst: je sofinummer wordt verwijderd uit alle systemen. Je verdwijnt vervolgens uit de GBA. Je paspoort bestaat officieel niet meer, en dat ben je toevallig een tijd geleden verloren dus een nieuwe aanvragen is onmogelijk. Volgens het systeem van de IND ben je niet van hier, en de betreffende ambtenaar vertelt je dat je hier illegaal verblijft. Om nog maar te zwijgen over je recht op belastingteruggave, nog afgezien van het feit dat je werkgever bij gebrek aan een sofinummer je loon niet kan storten, als je überhaupt al mag blijven werken van de Arbeidsinspectie. Foutje, bedankt?
Een even-driven architectuur (EDA) is een uitstekend ICT-instrument voor organisaties om doorloopsnelheid te verhogen en continuïteit te vergroten. Gebeurtenissen (events) die ‘slechts’ gedeeltelijke output voor het ene organisatieonderdeel zijn, worden automatisch en zonder oponthoud doorgestuurd naar een ander onderdeel. Hier vormt dit event de input-trigger om een nieuw verwerkingsproces op te starten. Een op het eerste zicht relatief eenvoudig te realiseren automatisering met grote snelheidsheidswinst en potentiele kostenbesparingen, dat wel. Maar niet geheel zonder risico’s, zo lijkt het. Stel dat het systeem van afdeling A crasht, en onbedoeld events uitstuurt – of juist geen. Op afdelingen B en C, die veel van de events van afdeling A als input-trigger hanteren, ontsporen de werkzaamheden. Daarnaast is het binnen een dergelijke architectuur niet ondenkbaar dat deze twee afdelingen op hun beurt weer events genereren voor andere afdelingen. Zo ontstaat een kettingreactie van onbedoelde of ontbrekende events en triggers.
Wat zijn de risico’s voor publieke organisaties die volgens een dergelijke architectuur zijn of worden ingericht? Tot nu toe zijn al een hoop publieke organisaties de weg van vernieuwing en automatisering ingeslagen. Steeds meer leggen we de nadruk op het belang van informatisering en een geautomatiseerde werkomgevingen (E-government is een belichaming van dit ideaal), en op de beveiliging van gegevens binnen die omgeving. Maar het ontbreekt ons nog aan een hoop kennis en informatie over de risico’s die een dergelijke inrichting van publieke organisaties met zich meebrengt.
En wie ziet er toe op beheersing van de risico’s? Denk je eens in welke consequenties het falen van systemen binnen een EDA zou kunnen hebben voor organisaties als de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de Informatiebeheergroep of de Belastingdienst. Daarnaast groeit het belang van risicobeheersing met de schaalomvang. Denk bijvoorbeeld aan de PIP (persoonlijke internetpagina), waarin we ‘alles-aan-alles’ trachten te knopen. Het bovenstaande voorbeeld mag dan wel vergezocht lijken maar is, door gebrekkige kennis over risicobeheersing van de EDA in het publieke domein, realistischer dan je denkt.
Een even-driven architectuur (EDA) is een uitstekend ICT-instrument voor organisaties om doorloopsnelheid te verhogen en continuïteit te vergroten. Gebeurtenissen (events) die ‘slechts’ gedeeltelijke output voor het ene organisatieonderdeel zijn, worden automatisch en zonder oponthoud doorgestuurd naar een ander onderdeel. Hier vormt dit event de input-trigger om een nieuw verwerkingsproces op te starten. Een op het eerste zicht relatief eenvoudig te realiseren automatisering met grote snelheidsheidswinst en potentiele kostenbesparingen, dat wel. Maar niet geheel zonder risico’s, zo lijkt het. Stel dat het systeem van afdeling A crasht, en onbedoeld events uitstuurt – of juist geen. Op afdelingen B en C, die veel van de events van afdeling A als input-trigger hanteren, ontsporen de werkzaamheden. Daarnaast is het binnen een dergelijke architectuur niet ondenkbaar dat deze twee afdelingen op hun beurt weer events genereren voor andere afdelingen. Zo ontstaat een kettingreactie van onbedoelde of ontbrekende events en triggers.
Wat zijn de risico’s voor publieke organisaties die volgens een dergelijke architectuur zijn of worden ingericht? Tot nu toe zijn al een hoop publieke organisaties de weg van vernieuwing en automatisering ingeslagen. Steeds meer leggen we de nadruk op het belang van informatisering en een geautomatiseerde werkomgevingen (E-government is een belichaming van dit ideaal), en op de beveiliging van gegevens binnen die omgeving. Maar het ontbreekt ons nog aan een hoop kennis en informatie over de risico’s die een dergelijke inrichting van publieke organisaties met zich meebrengt.
En wie ziet er toe op beheersing van de risico’s? Denk je eens in welke consequenties het falen van systemen binnen een EDA zou kunnen hebben voor organisaties als de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de Informatiebeheergroep of de Belastingdienst. Daarnaast groeit het belang van risicobeheersing met de schaalomvang. Denk bijvoorbeeld aan de PIP (persoonlijke internetpagina), waarin we ‘alles-aan-alles’ trachten te knopen. Het bovenstaande voorbeeld mag dan wel vergezocht lijken maar is, door gebrekkige kennis over risicobeheersing van de EDA in het publieke domein, realistischer dan je denkt.
Labels:
EDA,
event,
event-driven,
overheid,
publiek,
publieke domein,
risico,
risicobeheersing
Abonneren op:
Posts (Atom)