dinsdag 16 oktober 2007

Het nieuwe leren - over hoe de overheid de essentie mist

In april 2007 is de parlementaire onderzoekscommissie onderwijsvernieuwing in het leven geroepen. Tot centrale taak is gesteld om een oordeel te vellen over de onderwijsvernieuwingen van de afgelopen 15 jaar. Deze commissie richt zich in haar onderzoek op vier deelgebieden: de basisvorming, de tweede fase, het VMBO en ‘het nieuwe leren’. Daarnaast zijn vier deelstudies gestart door het SCP, de Erasmus Universiteit Rotterdam, de Algemene Rekenkamer en het ROA[1].

In hoeverre richt deze onderzoekscommissie zich op verbetering in de (nabije) toekomst? In de vele beleidsanalyses binnen dit onderzoek wordt geen rekening gehouden met het acute karakter van de gewenste en benodigde verandering. De student heeft niets aan de analyses met betrekking tot parlementaire achtergronden en relatiestudies tussen onderwijsvernieuwingen. De studenten beseffen als beste dat vernieuwing noodzakelijk is, maar zien en ondervinden dat leraren en schoolbestuur geen concreet en eenduidig beeld hebben van wat deze vernieuwing precies inhoudt; dit besef vormde ook de aanleiding voor deze studenten en scholieren om de noodklok te luiden bij het kabinet.

Moet de stap naar ‘het nieuwe leren’ worden doorgezet? Ja. De informatisering, automatisering en individualisering van de maatschappij is de dagelijkse realiteit voor jeugd. Dit beïnvloedt zonder meer de wijze waarop en de snelheid waarmee zij informatie tot zich nemen, en dus de manier waarop zij leren. Om de jeugd in onze samenleving te blijven ontwikkelen is het daarom noodzakelijk dat scholen op zoek gaan naar werkwijzen en hulpmiddelen die aansluiten bij deze veranderende manier van informatieverwerking.

Kan deze stap naar ‘het nieuwe leren’ worden gezet? Blijkbaar nog niet zonder verfijning van de definitie van het begrip. Dit betekent terug naar de fase van beeldvorming. Zo blijft de vraag welke aspecten hier deel uitmaken van het nieuwe leren, wat op zijn beurt weer vele vragen oproept. Wat zijn de maatschappelijke parameters, variabelen, trends en ontwikkelingen om rekening mee te houden? Op welke punten dienen bestaande onderwijsmethoden te worden aangepast om beter te passen bij de moderne informatiemaatschappij? Veel vragen met een hoge mate van complexiteit, die toch allemaal een antwoord verdienen. Want alleen door inhoud te geven aan ‘het nieuwe leren’ kan vooruitgang in het onderwijs worden gerealiseerd.

Met die insteek prikkelde Kamerlid Dibi (GroenLinks) naar mijn inzicht het parlement om te komen tot een gedegen onderzoek naar de gevolgen van het nieuwe leren. Het is alleen jammer dat deze commissie zich niet richt op inhoud en richting voor de toekomst, maar op wat er mis ging in de afgelopen 15 jaar. Is die informatie dan aan de rijksoverheid voorbij gesneld? Dames en heren parlementariërs, let toch op, dat is toch niet van deze tijd?!

[1] Zie http://www.tweedekamer.nl/kamerleden/commissies/CTCO/sub/index.jsp#TitleLink1 voor een nadere toelichting van de deelonderzoeken.

vrijdag 12 oktober 2007

Risico's van de event-driven architectuur (EDA) in het publieke domein

Iemand maakt per ongeluk een ‘foutje’ bij de belastingdienst: je sofinummer wordt verwijderd uit alle systemen. Je verdwijnt vervolgens uit de GBA. Je paspoort bestaat officieel niet meer, en dat ben je toevallig een tijd geleden verloren dus een nieuwe aanvragen is onmogelijk. Volgens het systeem van de IND ben je niet van hier, en de betreffende ambtenaar vertelt je dat je hier illegaal verblijft. Om nog maar te zwijgen over je recht op belastingteruggave, nog afgezien van het feit dat je werkgever bij gebrek aan een sofinummer je loon niet kan storten, als je überhaupt al mag blijven werken van de Arbeidsinspectie. Foutje, bedankt?

Een even-driven architectuur (EDA) is een uitstekend ICT-instrument voor organisaties om doorloopsnelheid te verhogen en continuïteit te vergroten. Gebeurtenissen (events) die ‘slechts’ gedeeltelijke output voor het ene organisatieonderdeel zijn, worden automatisch en zonder oponthoud doorgestuurd naar een ander onderdeel. Hier vormt dit event de input-trigger om een nieuw verwerkingsproces op te starten. Een op het eerste zicht relatief eenvoudig te realiseren automatisering met grote snelheidsheidswinst en potentiele kostenbesparingen, dat wel. Maar niet geheel zonder risico’s, zo lijkt het. Stel dat het systeem van afdeling A crasht, en onbedoeld events uitstuurt – of juist geen. Op afdelingen B en C, die veel van de events van afdeling A als input-trigger hanteren, ontsporen de werkzaamheden. Daarnaast is het binnen een dergelijke architectuur niet ondenkbaar dat deze twee afdelingen op hun beurt weer events genereren voor andere afdelingen. Zo ontstaat een kettingreactie van onbedoelde of ontbrekende events en triggers.

Wat zijn de risico’s voor publieke organisaties die volgens een dergelijke architectuur zijn of worden ingericht? Tot nu toe zijn al een hoop publieke organisaties de weg van vernieuwing en automatisering ingeslagen. Steeds meer leggen we de nadruk op het belang van informatisering en een geautomatiseerde werkomgevingen (E-government is een belichaming van dit ideaal), en op de beveiliging van gegevens binnen die omgeving. Maar het ontbreekt ons nog aan een hoop kennis en informatie over de risico’s die een dergelijke inrichting van publieke organisaties met zich meebrengt.

En wie ziet er toe op beheersing van de risico’s? Denk je eens in welke consequenties het falen van systemen binnen een EDA zou kunnen hebben voor organisaties als de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de Informatiebeheergroep of de Belastingdienst. Daarnaast groeit het belang van risicobeheersing met de schaalomvang. Denk bijvoorbeeld aan de PIP (persoonlijke internetpagina), waarin we ‘alles-aan-alles’ trachten te knopen. Het bovenstaande voorbeeld mag dan wel vergezocht lijken maar is, door gebrekkige kennis over risicobeheersing van de EDA in het publieke domein, realistischer dan je denkt.